Verlies toelaten en aanvaarden

Bij verliesoriëntatie gaat het om antwoord te geven op je verlies. Dat gaat in twee stappen:

'Op zoek gaan naar wat je verloren hebt' en 'De relatie met je kind opnieuw klank, kleur en geur geven'.

1. Wat heb ik verloren?
Dat kan gaan over de fysieke aanwezigheid, de vertederende momenten met je kind, de verantwoordelijkheid die je voor je kind voelde, de communicatie met je kind, de veiligheid en geborgenheid die je kon geven, het contact met de hulpverleners en dergelijke. Wil je onderzoeken wat je hebt verloren? Ga dan naar Wat heb ik verloren.

2. De relatie met mijn kind opnieuw klank, kleur en geur te geven
Hierbij gaat het om het toelaten van je verlies met alle daarbij horende pijnlijke en helpende gevoelens, gedachten en activiteiten. Dat is wat als eerste nodig is. Want - het klinkt hard - je kind is dood en komt niet meer terug. Huub Oosterhuis schrijft in zijn boek Waar zijn onze doden?: onze doden leven voort in de harten van mensen. De relatie met je kind wordt vanuit die visie op een symbolische manier voortgezet. Je kind leeft voort in jou. Daarom word je uitgenodigd om de relatie met je kind onder woorden te brengen, te verbeelden, klank, kleur en geur te geven. Je zult merken dat je daar niet zomaar klaar mee bent. Het verhaal zal, naar gelang je ouder wordt, van klank, kleur en geur veranderen. Blijvend verlies is een levenslang proces. Een proces van construeren en reconstrueren. Een proces waar je de relatie met je kind liefdevol verweeft met je eigen levensverhaal.
 

Maar hoe verwoord en verbeeld je de relatie met je kind?

  • Je kunt zoeken naar (dagelijkse) situaties waarin je de pijnlijke en de dankbare momenten van je verlies ervaren hebt. Onderstaande voorbeelden, die je natuurlijk met andere situaties kunt aanvullen, helpen je daarbij:
  • Je wordt wakker en luistert of je je kind hoort.
  • Je ziet de spullen liggen van je kind.
  • Je hoort muziek die je herinneren aan je kind.
  • Je rijdt langs het zieken- of opvanghuis waar je zo vaak met je kind geweest bent.
  • Je ziet een film die je herinnert aan je kind.
  • Je ziet de uitvaartmap liggen.
  • Je hebt een gesprek met ouders over de zorg van hun kind.
  • Je loopt dagelijks aan tegen de aanpassingen die voor jouw kind in huis nodig waren.
  • . . . (aanvullen met eigen situaties)
     

Wat roepen deze situaties bij je op?
Geven ze je blijdschap of verdriet? Om die momenten beter te verkennen kun je voor de situaties die je het meest raken (blijdschap of verdriet) de volgende vragen beantwoorden:

  • wat zie ik mijzelf doen op het moment van . . .  ? (bv. toelaten, terugtrekken)
  • wat voel ik bij de situatie van . . .  ? (bv. verdriet, dankbaarheid, eenzaamheid)
  • wat denk ik bij de situatie van . . .  ? (bv. kon ik nog maar zorgen, het is goed dat het voorbij is, ik hou van mijn kind, ook nu het dood is)
     

Voelen en denken zijn soms niet in overeenstemming.
Zo kun je je verdrietig voelen over het verlies van je kind en gelijktijdig denken: ik moet mij niet verdrietig voelen, want mijn kind heeft een goed leven gehad. Het niet in overeenstemming zijn van voelen en denken geeft spanning dat zich lichamelijk kan uiten in bijvoorbeeld hoofd-, maag-, rugpijn of in vermoeid- en slapeloosheid.

Wil je voelen en denken meer in overeenstemming brengen?
Ga dan op zoek naar de waarden die schuilgaan achter situaties die je het meest raken (bv. ik wil graag zorgen, ik heb graag grip op de situatie, ik wil graag liefdevol aanwezig zijn).

Wat vind je ervan? Laat hier je reactie achter.