Schouders
Kind & Ziekenhuis
  • MENU
Anders dan 'normaal'
Passend onderwijs
Werk en dagbesteding

Lijst met medische termen

Op onze site kom je de volgende medische termen tegen. In deze lijst worden ze toegelicht.

A

aandachtsspanne

Mogelijkheid om aandacht op één activiteit te richten.

abductie

zijwaartse beweging van arm of been van het lichaam af.

actieve beweging

beweging die op eigen spierkracht gemaakt wordt.

activiteiten

Onderdelen van iemands handelen.

AD(H)D

Attention Deficit Disorder (with Hyperactivity): aandacht- / concentratiestoornis (met hyperactiviteit).

adductie

zijwaartse beweging van arm of been naar het lichaam toe.

ADL

Activiteiten van het dagelijks leven.

afasie

verworven taalstoornis veroorzaakt door hersenletsel, waarbij het begrijpen en uiten van gesproken taal gestoord is.

agnosie

stoornis in de herkenning van de betekenis van prikkels (bij intacte zintuigen).

AIMS

Alberta Infant Motor Scale: een Canadees observatie instrument waarbij de motoriek van kinderen van 0 tot 18 maanden oud worden vergeleken met dat van leeftijdsgenootjes. Voor dit instrument bestaat geen Nederlandse normering en wordt de normering van de Canadese AIMS toegepast.

alternerende beweging

Het onafhankelijk maken van bewegingen die tegengesteld aan elkaar zijn.

ambulant

In staat te lopen.

amnesie

Verzamelterm voor stoornissen op het gebied van het geheugen of leervermogen.

anamnese

Vraaggesprek/ Intakegesprek.

anteflexie

bewegen van de arm voorwaarts omhoog.

anti-decubitus

Ter voorkoming van doorliggen (wonden door te lang liggen).

apraxie

stoornis in het doelgericht handelen bij intacte spierfunctie en coördinatie.

AROM

Active range of Motion: actieve bewegingsuitslag van een gewricht.

arthrodese

operatief vastzetten van een gewricht in een bepaalde stand.

articulatie

de (uit-)spraak.

associatieve reacties

ten gevolge van een bepaalde beweging/inspanning treden elders in het lichaam andere bewegingsreacties op.

asymmetrie

(de stand van) de linker en rechter lichaamshelft is niet gelijk.

ataxie

doorschieten van bewegingen door verlaagde spiertonus en een stoornis van de coördinatie.

athetose

onwillekeurige en onregelmatige bewegingen.

audiometrie

het testen van het gehoor.

auditief (bv. geheugen)

via gehoor

automatische bewegingen

bewegingen die zonder moeite en zonder erbij na te denken verricht worden.

C

calcaneus

hielbeen.

caudaal

in de richting van de staart.

cervicale wervelkolom

halswervelkolom/nekwervels.

cognitie

het denken.

contractuur

verkorting van een spier, kapsel of gewrichtsbanden, waardoor er bewegingsbeperking optreedt in het gewricht.

coördinatie

samenwerking van verschillende spiergroepen teneinde een beweging of handeling goed te kunnen uitvoeren.

D

decubitus

blaar of wond ontstaan door langdurige of te hoge druk op de huid.

dissociatie van bewegen

bewegingen die gemaakt worden onafhankelijk van andere bewegingen.

distaal

zover mogelijk van de romp vandaan.

dorsaal

naar de rug toe.

dorsaalflexie

opwaarts bewegen van de handrug of voetwreef.

dysarthrie

spraakstoornis, waarbij de spiercontrole van het spraakmechanisme verstoord is.

dyspraxie

zie apraxie, maar dan in mindere mate.

E

elevatie

het optrekken van de schouders.

endorotatie

het naar binnen draaien van de ledematen.

eversie

optrekken buitenkant voet.

exorotatie

het naar buiten draaien van de ledematen.

extensie

strekking van de romp en/of ledematen.

extensie van de pols

buigen naar de kant van de handrug.

extremiteit

bovenste extremiteiten zijn de armen; onderste extremiteiten zijn de benen.

F

facialis parese

gedeeltelijke of gehele verlamming van de zenuw die o.a. de spieren van het gelaat prikkelt.

flexie

buigen van het hoofd, romp en/of ledematen.

flexie van de pols

buigen naar de kant van de palm.

fonatie

stemgeving, spreektoonhoogte, volume van de stem.

G

geleid actief bewegen

beweging met hulp van een ander.

H

hemi-anopsie

het niet kunnen zien van de linker- of rechterzijde van de ruimte/ van een voorwerp.

hemi-inattentie

verwaarlozen/niet ervaren van een lichaamshelft.

hyper

te hoog.

hypernasaal

open neusspraak.

hypo

te laag.

I

incontinentie

het onvermogen om urine en/of ontlasting op te houden.

inversie

optrekken binnenkant voet.

K

kyfose

in elkaar gezakte houding van de wervelkolom/bolle rug.

L

lateraal

zijkant of zijwaarts.

lichaamsschema kennen

plaats en naam van lichaamsdelen weten.

lordose

holle rug.

lumbale wervelkolom

wervelkolom van de onderrug.

luxatie

ontwrichting/uit de kom.

M

meniscus

halvemaanvormig kraakbenig plaatje in het kniegewricht.

mobiliseren

vergroten van de beweeglijkheid.

mobiliteit

beweeglijkheid.

O

opponeren

het brengen van de duim tegenover de palm van de hand. Bij het brengen van de duim tegenover de top van de wijsvinger ontstaat de pincetgreep; het brengen van de duim tegenover de toppen van de andere drie vingers noemt met "pinch".

orthese

lichaamsdeelondersteunend hulpmiddel.

P

palmairflexie

neerwaarts bewegen van de handpalm.

paralyse

verlamming.

parese

gedeeltelijke verlamming.

passieve beweging

beweging door een ander aan een persoon verricht.

patella

knieschijf

persevereren

misplaatste herhaling of voortzetten van een handeling.

pes calcaneus

hakvoet.

pes calcano valgus

hakvoet met pronatie.

pes equino varus

spitsvoet met supinatie.

pes equinus

spitsvoet.

phalangen

kootjes.

plantairflexie

neerwaarts bewegen van de voetzool.

pronatie

draaien van de onderarm, waarbij de handpalm naar beneden draait.

prosodie

zinsmelodie, klemtoon, accenten.

prothese

lichaamsdeel-vervangend hulpmiddel.

protractie

het naar voren bewegen van de schoudergordel.

proximaal

zo dicht mogelijk bij de romp.

R

residu urine

de urine die bij sommige ziektes/aandoeningen na de lozing nog in de blaas achterblijft.

retractie

het naar achteren bewegen van de schoudergordel.

retroflexie

het naar achteren bewegen van arm of been.

rotatie

draaiende beweging.

S

sacraal

betrekking hebbende op het heiligbeen.

scoliose

zijwaartse kromming van de wervelkolom.

sensibiliteit

gevoel als zintuig; tastgevoel, drukgevoel, houdingsgevoel, warmte/koudegevoel, pijngevoel.

somatisch

lichamelijk.

spasticiteit

abnormaal verhoogde spierspanning en het niet gedissocieerd kunnen bewegen.

spierkracht 0 - 5

spierkrachtgradaties: 0 = nihil; 5 = normaal.

sub luxatie

onvolledige ontwrichting.

supinatie

het draaien van de onderarm, waarbij de handpalm naar boven draait.

symmetrie

(de stand van) de linker- en rechterlichaamshelft is/zijn gelijk.

T

tactiele waarneming

waarneming door middel van voelen/de tast.

talus

voetwortelbeen dat op hielbeen rust.

tonus

spierspanning.

torsie

draaien of wringen.

transfers

(zich) verplaatsen van de ene zit/ligplaats naar de andere (b.v. van rolstoel naar toilet).

U

ulna

ellepijp; onderarmbot dat aan de kant van de pink de pols bereikt.

V

valgus

naar buiten staan van bovenbeen, onderbeen en voet.

varus

naar binnen staan van bovenbeen, onderbeen of voet.

visueel (bv geheugen)

via het gezichtsvermogen.